Publicaties Vacatures Faillissementsverslagen WHOA Desk


De schijn van volmachtverlening

Juridisch up to Date 2010/7

Mr. dr. S. Parijs, Drijber en Partners, Apeldoorn

INLEIDING

In geval van vertegenwoordiging bij volmacht kan er sprake zijn van een uitdrukkelijke of een stilzwijgende volmacht (art. 3:61 lid 1 BW). Bij een stilzwijgende volmacht is het voor de wederpartij niet altijd goed kenbaar of de volmacht toereikend was. Daarnaast kan er sprake zijn van de schijn van volmachtverlening, ook wel aangeduid als “pseudo-volmacht”. Indien de vertegenwoordigde de schijn heeft gewekt dat er sprake was van een toereikende volmacht, dan kan de vertegenwoordigde op grond van art. 3:61 lid 2 BW geen beroep doen op de eventuele onjuistheid daarvan. Op 19 februari 2010 heeft de Hoge Raad het arrest ING/Bera Holding (LJN: BK7671) gewezen, waarin de vraag aan de orde kwam of er sprake was van de schijn van volmachtverlening. In dit artikel wordt nader ingegaan op dit arrest.

FEITEN

Bera Holding N.V. (“Bera Holding”) is in Suriname gevestigd en is in 1998 door A en B gezamenlijk opgericht. Alle aandelen van Bera Holding zijn sinds 1999 in handen van A en alleen A is bevoegd om de vennootschap te vertegenwoordigen. In april 2003 heeft A namens Bera Holding een bankrekening met een daaraan gekoppelde depositorekening geopend bij een filiaal van ING Bank N.V. (“ING”). Hierbij heeft A een offerte van ING en een handtekeningenkaart ondertekend. De bankafschriften met betrekking tot deze rekeningen, zijn steeds op verzoek van A verzonden aan het adres van in Nederlandse gevestigde vennootschappen, Bera B.V., Bera Commercials B.V. en Bera Distributions B.V., waarin B de zeggenschap heeft.

In de periode van 30 oktober 2003 tot en met maart 2004 heeft ING naar aanleiding van telefonische opdrachten van B een aantal bedragen, in totaal tot een bedrag van € 210.000,--, van de rekeningen van Bera Holding afgeschreven ten gunste van de vennootschappen van B. In mei 2005 heeft A telefonisch aan ING te kennen gegeven dat de betreffende betaalopdrachten betwist. Naar aanleiding daarvan heeft ING op 4 juli 2005 een intern memo opgesteld naar de gang van zaken. Hieruit is naar voren gekomen dat een medewerkster van ING, B kende als vertegenwoordiger van Bera Holding en de drie Nederlandse vennootschappen. Dit vloeit voort uit de navolgende omstandigheden. Aangezien A in Suriname verblijft, werden alle contacten ten behoeve van Bera Holding onderhouden door B. Wanneer A in Nederland was, vergezelde hij B naar het kantoor van ING. Doordat er vanaf de opening van de rekening van Bera Holding in april 2003 tot februari 2005 nimmer klachten waren over de door B gegeven telefonische opdrachten, verkeerde het personeel van ING in de overtuiging dat B bevoegd was om namens Bera Holding op te treden. Uit het onderzoek van ING bleek echter wel dat alleen A vanaf de opening van de rekeningen bevoegd was tot het geven van betaalopdrachten en dat B nimmer enige formele bevoegdheid had.

PROCESVERLOOP

In eerste aanleg heeft Bera Holding een verklaring voor recht gevorderd dat ING in strijd met de tussen partijen bestaande overeenkomst verschillende bedragen met een totaalbedrag van € 210.000,-- heeft overgemaakt naar bankrekeningen van vennootschappen van B, omdat ING daartoe geen opdracht had gekregen van (een bevoegde vertegenwoordiger) van Bera Holding. De rechtbank Amsterdam heeft de vordering van Bera Holding, met uitzondering van een bedrag van € 3.000,--, toegewezen.

In hoger beroep is tussen partijen niet in geschil dat B niet formeel bevoegd was over de rekening bij ING te beschikken, maar ING stelt wel op grond van de omstandigheden van het geval dat Bera Holding de schijn heeft gewekt dat B over een toereikende volmacht beschikte om haar te vertegenwoordigen. Het hof overweegt ten aanzien hiervan dat ING zich ervan diende te vergewissen of degene die de opdracht tot de overboekingen gaf daartoe bevoegd was. Volgens het hof heeft ING deze contractuele verplichting verzaakt en kan slechts onder “zeer bijzondere omstandigheden” een beroep worden gedaan op de schijn van volmachtverlening aan een derde. Daarnaast acht het hof de door ING aangevoerde feitelijke omstandigheden niet voldoende voor een beroep op art. 3:61 lid 2 BW, nog afgezien dat uit het memo van 4 juli 2005 niet blijkt dat deze omstandigheden daadwerkelijk ten grondslag liggen aan het gestelde vertrouwen dat aan B een volmacht was verleend. Het hof Amsterdam heeft op grond van bovenstaande overwegingen het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

ING is tegen het oordeel van het hof in cassatie gegaan. Naar het oordeel van de Hoge Raad dient voor toerekening van de schijn van volmachtverlening aan de vertegenwoordigde, ook plaats te zijn indien ING gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de volmachtverlening aan B, op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van Bera Holding komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Volgens de Hoge Raad heeft het hof, als dit uitgangspunt is miskend, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Indien dat niet het geval is, heeft het hof de verwerping van het verweer van ING ontoereikend gemotiveerd. Afgezien daarvan is het hof volgens de Hoge Raad uitgegaan van een te strenge maatstaf door slechts onder “zeer bijzondere omstandigheden” een beroep op de schijn van volmachtverlening toelaatbaar te achten.

De omstandigheden waarover het hof opnieuw had dienen te oordelen en welke in de risicosfeer van Bera Holding liggen, zijn de verzending van de bankafschriften naar het bedrijfsadres van B. Volgens de Hoge Raad behoefde ING op grond daarvan er geen rekening mee houden dat Bera Holding met vertraging van de bankafschriften kennis zou nemen. Bera Holding heeft hiertoe immers zelf opdracht gegeven, waardoor de vertraging voor haar risico komt. Daarnaast is het hof er tevens aan voorbij gegaan dat Bera Holding op grond van artikel 12 van de algemene voorwaarden van ING, de bankafschriften tijdig (terstond na ontvangst) had moeten controleren. ING was niet verplicht te onderzoeken of zij dit ook deed. Het ligt volgens de Hoge Raad in het algemeen voor de hand dat deze controle plaatsvindt op het adres waar de bankafschriften naartoe worden verstuurd. Tevens had het hof de stelling van ING in zijn oordeel moeten betrekken dat Bera Holding niet tijdig heeft geprotesteerd tegen de betreffende overschrijvingen. Op grond van voorgaande overwegingen vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof Amsterdam en verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het hof Arnhem.

COMMENTAAR

Bij de vraag of er sprake is van de schijn van volmachtverlening in de zin van art. 3:61 lid 2 BW, is het van belang of de wederpartij erop heeft vertrouwd, en dat onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze ook mocht, dat er sprake was van een toereikende volmacht (“het vertrouwensbeginsel”). Daarnaast dient de vertegenwoordigde bij de wederpartij het vertrouwen hebben gewekt dat een toereikende volmacht was verleend (“het toedoenbeginsel”) (vgl. W.J. Slager, Compendium van het ondernemingsrecht, 8e druk, Deventer: Kluwer 2005, nr. 20). Samengevat kunnen de omstandigheden alsmede de gedragingen van de vertegenwoordigde ertoe leiden dat er sprake was van de schijn van volmachtverlening. Als dat het geval was, kan de betreffende rechtshandeling niet worden aangetast door de vertegenwoordigde.

In de zaak ING/Bera Holding had het hof volgens de Hoge Raad tevens feiten en omstandigheden die voor risico van Bera Holding komen, en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid, in zijn oordeel dienen te betrekken. Daarnaast had het hof door te oordelen dat slechts onder “zeer bijzondere omstandigheden” een beroep kan worden gedaan op de schijn van volmachtverlening, een te strenge maatstaf gehanteerd. Het oordeel van de Hoge Raad in deze zaak is in lijn met vorige arresten van de Hoge Raad over dit onderwerp, waarin tevens is bepaald dat ook naar aanleiding van feiten of omstandigheden die in de risicosfeer van de vertegenwoordigde liggen, schijn van vertegenwoordigingbevoegdheid wordt aangenomen. Volgens Kortmann wordt het toedoenbeginsel hierdoor “opgerekt” en moet het worden aangevuld met de risicogedachte. Naar zijn mening laat een redelijke uitleg van art. 3:61 lid 2 BW een dergelijke bescherming van het opgewekte vertrouwen toe (S.C.J.J. Kortmann, noot onder HR 26 september 2003, JOR 2004, 32 (Regiopolitie Gelderland-Zuid/Hovax)).

Hoewel er in de zaak ING/Bera Holding sprake was van feiten en omstandigheden die Bera Holding zelf in het leven had geroepen, zoals het verzenden van de bankafschriften naar B – die tevens een belang had in vennootschappen waarin de naam “Bera” ook voorkwam – waardoor A niet tijdig kennis kon nemen van mutaties op de rekeningen, is het oordeel van het hof wel te begrijpen. ING had vooraf meer onderzoek moeten verrichten naar de bevoegdheid van B om Bera Holding te mogen vertegenwoordigen. Uit het interne onderzoek dat ING na de klacht van Bera Holding heeft verricht, bleek immers dat het in het eigen systeem van ING bekend was dat alleen A bevoegd was en dat derhalve aan B geen enkele vertegenwoordigingsbevoegdheid toekwam. Dit neemt niet weg dat het hof nadrukkelijker had moeten aangeven of ING door toedoen van Bera Holding, vanwege feiten en omstandigheden die in de risicosfeer van laatstgenoemde lagen, erop mocht vertrouwen dat er sprake was van een toereikende volmacht. Doordat de feiten en omstandigheden in deze zaak mijns inziens verschillend kunnen worden gewaardeerd, is het moeilijk te voorspellen hoe het eindoordeel van het hof Arnhem na verwijzing zal luiden.

Gepubliceerd door Sergei Parijs
Publicatiedatum: 02 september 2010


Algemene Voorwaarden   /   Privacy verklaring   /   Klachtenregeling   /  © 2009 - 2021 Drijber en Partners B.V.
facebookicon linkedinicon