Publicaties Vacatures Faillissementsverslagen WHOA Desk


Handelen namens een B.V. i.o.

Juridisch up to Date 2010/12

Mr. M.A. Oostendorp, Drijber en Partners, Apeldoorn

INLEIDING

Een op te richten besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid kan rechtshandelingen aangaan, die op haar beurt kunnen worden bekrachtigd door de vennootschap wanneer zij die rechtshandelingen na haar oprichting uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigt (art. 2:203 lid 1 BW). Op 11 mei 2010 heeft het Gerechtshof Arnhem het arrest United Force (LJN: BM4025) gewezen, waarin onder andere de vraag aan de orde kwam of er sprake was van een rechtshandeling aangegaan door een besloten vennootschap in oprichting, en zo ja of deze rechtshandeling later door de opgerichte vennootschap was bekrachtigd. In dit artikel wordt nader ingegaan op dit arrest.

FEITEN

In deze procedure, waarbij de uiteindelijk opgerichte vennootschap United Force B.V. (‘United Force’) appellante is, houdt partijen de vraag verdeeld of tussen hen een huurovereenkomst tot stand is gekomen aangaande een bedrijfspand. United Force heeft gesteld dat A namens de besloten vennootschap in oprichting United Force (‘United Force i.o.’), als huurder, met B als verhuurder, een huurovereenkomst heeft gesloten, welke huurovereenkomst United Force na haar oprichting heeft bekrachtigd. United Force stelt schade te hebben geleden omdat B tekortgeschoten zou zijn in de nakoming van de huurovereenkomst, nu aan die huurovereenkomst geen uitvoering zou zijn gegeven. B betwist niet dat hij geen uitvoering heeft gegeven aan de huurovereenkomst. Hij heeft de totstandkoming van de huurovereenkomst als zodanig betwist. Volgens B bevonden de besprekingen omtrent de huurovereenkomst zich nog in een verkennende fase en was er nog geen overeenstemming bereikt over de modaliteiten van een eventueel tussen hem en United Force of A te sluiten huurovereenkomst. Verder betwist B dat de huurovereenkomst door United Force i.o. zou zijn gesloten, zodat deze evenmin door United Force kan zijn bekrachtigd. Voor het geval geen huurovereenkomst tussen B en United Force tot stand zou zijn gekomen, stelt United Force dat deze huurovereenkomst tussen B en A pro se is gesloten. Volgens United Force zou B in dat geval ook gehouden zijn om de schade die United Force geleden heeft te vergoeden. United Force beroept zich hierbij op het feit dat A in dat geval als lasthebber van United Force zou dienen te worden beschouwd. Op grond van artikel 7:419 BW zou A gerechtigd zijn schadevergoeding te vorderen, welke vordering A aan United Force heeft gecedeerd. B heeft betwist dat A als lasthebber is opgetreden.

PROCESVERLOOP

In eerste aanleg waarin United Force in conventie als eisende partij optrad, heeft United Force een verklaring voor recht gevraagd dat eerder genoemde huurovereenkomst tot stand is gekomen en als gevolg van de tekortkoming vervolgens rechtsgeldig is ontbonden. Daarnaast heeft United Force ten titel van schadevergoeding gevorderd dat B veroordeeld zal worden om een bedrag van EUR 239.600 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. De Rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Tiel heeft de vordering van United Force afgewezen.

In hoger beroep speelt andermaal de vraag of tussen partijen een huurovereenkomst tot stand is gekomen, meer in het bijzonder de vraag of A tijdens de onderhandelingen over de huurovereenkomst namens United Force i.o. is opgetreden. Het hof stelt voorop dat het hier gaat om toepassing van artikel 2:203 leden 1 en 2 BW.

In dit artikel is bepaald dat een persoon die een overeenkomst heeft gesloten met een ander die namens een op te richten besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid handelt, slechts uit die overeenkomst kan worden aangesproken door een nadien opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, wanneer deze laatste de overeenkomst uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft bekrachtigd en bovendien moet worden aangemerkt als de vennootschap partijen op het oog hadden toen de overeenkomst tot stand kwam. Met betrekking tot het antwoord op de vraag of daadwerkelijk de vennootschap is opgericht die partijen op het oog hadden toen de overeenkomst tot stand kwam, oordeelt het hof dat zulks beantwoord dient te worden aan de omstandigheden van het geval. Het hof heeft een nadere invulling gegeven met betrekking tot die voorwaarden.

Heeft degene die handelde namens de op te richten vennootschap dit gedaan in het kader van de uitoefening aangeduid als vennootschap (B.V.) in oprichting (i.o.) dan kunnen onder meer van belang zijn: de namen van de vennootschap in oprichting en de opgerichte vennootschap; de bij de beide vennootschap betrokken personen; de aard van het door de vennootschap uitgeoefende c.q. uit te oefenen bedrijf; het kapitaal van de op te richten vennootschap in het licht van de omvang van de transakte; hetgeen in de akte van oprichting omtrent de vennootschap in oprichting al dan niet is verklaard; hetgeen in het handelsregister ten aanzien van de vennootschap is ingeschreven. Het hof oordeelt verder dat degene die namens een op te richten vennootschap heeft gehandeld, tegenover zijn wederpartij slechts van de in artikel 2:203 lid 2 BW bedoelde hoofdelijke aansprakelijkheid wordt bevrijd indien de overeenkomst wordt bekrachtigd door een na het sluiten van de overeenkomst opgerichte vennootschap die, gegeven de omstandigheden van het geval, moet worden aangemerkt als de vennootschap die partijen bij het tot stand komen van de overeenkomst op het oog hadden. Aan dit criterium wordt niet voldaan indien er nog slechts een algemeen voornemen bestaat tot oprichting van een besloten vennootschap over te gaan. Minimum vereiste is dat de plannen tot oprichting een begin van concretisering hebben gevonden. Overigens is het ook niet voldoende indien na het sluiten van de overeenkomst ‘een’ besloten vennootschap is opgericht die de overeenkomst bekrachtigt. Dit geldt ook indien het voor de wederpartij van bedoelde persoon duidelijk was of behoorde te zijn dat deze niet voor zichzelf maar voor ‘een’ op te richten besloten vennootschap handelde (HR 8 juli 1992, NJ 1993, 116 alsmede HR 3 november 1995, NJ 1996, 141).

Het hof past vervolgens de door hem genoemde omstandigheden toe op de situatie van United Force. Op basis van meerdere getuigenverklaringen alsmede in het geding gebrachte stukken waaronder processtukken uit een eerder gevoerd kort geding waarin A naliet te stellen dat hij namens United Force de huurovereenkomst was aangegaan, leidde uiteindelijke tot de conclusie dat United Force niet kan worden aangemerkt als de vennootschap die partijen op het oog hadden toen de gestelde huurovereenkomst tot stand zou zijn gekomen. Vervolgens gaat het hof in op het aspect van de lastgeving en concludeert dat de stelling van United Force dat A als lasthebber van United Force i.o. is opgetreden niet, althans onvoldoende gemotiveerd is bestreden. Met betrekking tot de gevorderde schade is het hof evenwel nog niet tot een eindoordeel gekomen aangezien er daarvoor nog onvoldoende informatie is verschaft. Hiertoe wordt United Force alsnog in de gelegenheid gesteld, waartegen B zich uiteraard mag verweren.

COMMENTAAR

Bij de vraag of er sprake is van een door een vennootschap in oprichting aangegane rechtshandeling die later door de opgerichte vennootschap rechtsgeldig is bekrachtigd, is het onder meer van belang of de opgerichte vennootschap de vennootschap is die partijen bij de onderhandelingen en het aangaan van de overeenkomst op het oog hadden. Meerdere omstandigheden kunnen daarbij een rol spelen zoals het hof concreet aan de hand van het opsommen van voorbeelden uiteen heeft gezet. Samengevat kunnen de omstandigheden alsmede de gedragingen van partijen ertoe leiden dat de besloten vennootschap in oprichting heeft gehandeld en er vervolgens sprake is van bekrachtiging door de opgerichte vennootschap. Als dat het geval was, kan de betreffende rechtshandeling niet worden aangetast door de wederpartij.

In de zaak United Force had het hof – met name op grond van de afgelegde getuigenverklaringen – voldoende aanknopingspunten om tot zijn eindoordeel te komen dat United Force niet de besloten vennootschap was die partijen tijdens de onderhandelingen en het aangaan van de overeenkomst op het oog hadden. De in het arrest geciteerde passages uit de getuigenverklaringen bestuderend meen ik dat het hof terecht tot zijn eindoordeel is gekomen. Voor zover al tussen partijen over een op te richten besloten vennootschap was gesproken, was dit slechts heel summier. Duidelijk was dat de plannen tot oprichting nog geen begin van concretisering hadden gevonden, althans zulks was B niet kenbaar gemaakt. De naam United Force was als zodanig ook nog niet genoemd. Het feitelijke karakter van het arrest maakt dat de kans naar alle waarschijnlijkheid niet groot is dat United Force – nadat het hof eindarrest zal hebben gewezen – in cassatie zal gaan. Dit zal anders zijn indien zij van mening is dat het hof het recht, meer in het bijzonder artikel 2:203 leden 1 en 2 BW niet goed heeft toegepast.

Gepubliceerd door Mirjam Oostendorp
Publicatiedatum: 02 september 2010


Algemene Voorwaarden   /   Privacy verklaring   /   Klachtenregeling   /  © 2009 - 2021 Drijber en Partners B.V.
facebookicon linkedinicon