Publicaties Vacatures Faillissementsverslagen WHOA Desk


Reikwijdte stil pandrecht op toekomstige vordering

Mr. M.A. Oostendorp, Drijber en Partners, Velp

Juridisch up to Date 2012/7

INLEIDING

Een bank die een onderneming financiert, beschikt in het algemeen over zekerheden, waaronder bijvoorbeeld een stil pandrecht op vorderingen. Vaak leidt de reikwijdte van een dergelijk pandrecht in geval van een faillissement van de pandgever tot discussie. Op 17 februari 2012 heeft de Hoge Raad het arrest Rabobank/Kézér q.q. (LJN: BU6552) gewezen, waarin onder andere de vraag aan de orde kwam of een stil pandrecht tot stand was gekomen op toekomstige vorderingen als gevolg van stortingen door derden op een bankrekening aangehouden bij een andere bank. In dit artikel wordt nader ingegaan op dit arrest.

FEITEN

In deze procedure werd geprocedeerd tussen de curator van vennootschap A, mr. Kézér, en Rabobank. Rabobank was - naast kredietverstrekker – tevens aandeelhouder van A. In het kader van de kredietverstrekking had zij een pandrecht van A verstrekt gekregen op onder meer haar (bestaande en toekomstige) vorderingen. De laatste pandlijst dateerde van 17 november 2003 en werd een dag later geregistreerd. Deze pandlijst bevatte een generieke omschrijving (een zogenaamde ‘vangnetbepaling’). Op basis van deze pandlijst werden alle ten tijde van de ondertekening van de pandlijst bestaande rechten/vorderingen van A en alle rechten/vorderingen die zouden worden verkregen uit ten tijde van de ondertekening van de pandlijst bestaande rechtsverhoudingen tussen A en derden aan Rabobank verpand. Naar aanleiding van de alarmerende financiële situatie waarin A op enig moment kwam te verkeren, heeft op 17 november 2003 een bespreking tussen A en Rabobank plaatsgevonden. Rabobank heeft vervolgens bij brief van 18 november 2003 het krediet met onmiddellijk ingang opgezegd. Daarnaast werd A gesommeerd binnen veertien dagen nadien tot algehele aflossing van de vordering van Rabobank over te gaan. In dezelfde brief heeft Rabobank aanspraak gemaakt op de integrale opbrengsten van de aan Rabobank onder meer verpande vorderingen, waaronder het creditsaldo van de rekening van A bij Dresdner Bank. Ten laste van haar rekening bij Dresdner Bank heeft A op 25 en 28 november 2003 en op 1 december 2003 telkens een bedrag van EUR 12.500 (derhalve totaal EUR 37.500) overgemaakt naar haar rekening bij Rabobank. Deze bedragen bestonden uit de opbrengst van de door A op haar rekening bij Dresdner Bank na 17 november 2003 geïnde vorderingen op handelsdebiteuren. Bij vonnis van 25 augustus 2004 is A in staat van faillissement verklaard.

PROCESVERLOOP

De curator vorderde in deze procedure onder meer veroordeling van Rabobank tot betaling van EUR 37.500 vermeerderd met de wettelijke rente. Hij heeft deze vordering gebaseerd op artikel 42, althans 47 Fw. Voorts heeft de curator aangevoerd dat Rabobank niet bevoegd was tot verrekening omdat zij bij de verrekeningen niet te goeder trouw handelde in de zin van artikel 54 Fw. Rabobank wist, aldus de curator, dat A in een zodanige toestand verkeerde dat haar faillissement was te verwachten. In eerste aanleg heeft de Rechtbank Roermond de vordering van de curator afgewezen. De Rechtbank Roermond oordeelde dat A door de overboekingen van in totaal EUR 37.500 van haar rekening bij de Dresdner Bank naar haar rekening bij Rabobank, een opeisbare schuld aan Rabobank deels had voldaan uit haar, aan Rabobank stil verpande, tegoeden bij Dresdner Bank. De curator is van dit vonnis in hoger beroep gegaan.

In hoger beroep oordeelde het hof Den Bosch dat de vordering van de curator op basis van de artikelen 42 of 47 Fw niet toewijsbaar was. Het hof heeft de vordering evenwel op grond van artikel 54 Fw toegewezen. Daarbij oordeelde het hof dat:

(a) onder het stille pandrecht van Rabobank niet vielen de vorderingen van A op Dresdner Bank uit hoofde van de creditering van haar bankrekening met de door haar handelsdebiteuren na het opmaken van de pandlijst van 17 november 2003 overgemaakte bedragen;

(b) Rabobank bij gebrek aan goede trouw als bedoeld in artikel 54 Fw geen beroep toekomt op verrekening van de op de rekening van A overgemaakte bedragen van EUR 37.500 met haar vordering op A;

Met twee cassatiemiddelen heeft Rabobank het arrest van het hof bestreden. In het eerste cassatiemiddel betoogde Rabobank dat – in tegenstelling tot het oordeel van het hof – een schuldenaar aan zijn schuldeiser een stil pandrecht kan verlenen op vorderingen die de schuldenaar zal verkrijgen op zijn bank ten gevolge van creditering van zijn bankrekening met geldbedragen die derden naar die bankrekening zullen overmaken. Dergelijke vorderingen van de schuldenaar op de bank zouden (voldoende) rechtstreeks voortvloeien uit de rekening-courantverhouding van de schuldenaar met de bank om onder een voordien gevestigd stil pandrecht te kunnen vallen. Het tweede cassatiemiddel was gericht tegen het oordeel van het hof dat Rabobank niet te goeder trouw was op het moment dat zij tot verrekening overging van de op de rekening van A overgemaakte bedragen met haar vordering op A.

De Hoge Raad heeft het eerste middel verworpen. De Hoge Raad heeft hierbij verwezen naar het feit dat de wetgever dezelfde maatstaf hanteert ten aanzien van de mogelijkheden van beslag op en stille verpanding van toekomstige vorderingen. In gevolge artikel 3:239 lid 1 BW kan een stil pandrecht worden gevestigd op een vordering op naam, mits dit recht op het tijdstip van de vestiging van het pandrecht reeds bestaat of rechtstreeks zou worden verkregen uit een dan reeds bestaande rechtsverhouding. Deze categorie van toekomstige vorderingen zijn de zogeheten relatief toekomstige vorderingen. Daartegenover staan de absoluut toekomstige vorderingen. Absoluut toekomstige vorderingen zijn vorderingen die op het moment van verpanding geen enkele grondslag in het heden hebben. Op absoluut toekomstige vorderingen kan in beginsel niet (bij voorbaat) een stil pandrecht worden gevestigd. Evenmin kan daarop beslag worden gelegd. Ten tijde van de registratie van de pandlijst van 27 november 2003 was sprake van een debetsaldo op de rekening van A bij Dresdner Bank. De bedragen die op 25 en 28 november en 1 december 2003 zijn overgemaakt, zijn gelden die na de vestiging van het pandrecht op de rekening zijn binnengekomen. Dit betreft vorderingen die zijn verkregen uit de rechtsverhouding tussen A en derden en derhalve niet, althans in ieder geval niet rechtstreeks, uit de rekening-courantverhouding tussen Rabobank en A. Het pandrecht omvat derhalve niet nadien ontstane vorderingen van A op Rabobank ten gevolge van stortingen van derden. Er is in deze sprake van absoluut toekomstige vorderingen die niet voor stille verpanding vatbaar zijn. Evenmin zou daarop beslag gelegd kunnen worden. Volgens de Hoge Raad heeft het hof bij zijn beoordeling dan ook de juiste maatstaven gehanteerd.

Niet alleen het eerste cassatiemiddel, maar ook het tweede cassatiemiddel is door de Hoge Raad verworpen. Het hof oordeelde volgens de Hoge Raad op juiste gronden dat Rabobank niet te goeder trouw was. De omstandigheid dat het faillissement eerst op 25 augustus 2004 is uitgesproken, sloot naar het oordeel van het hof niet uit dat de verrekening in november 2003 in het zicht van dat naderende faillissement is verricht. Naar de curator stelde, bleek reeds in november 2003 dat A dusdanig onvoldoende financiële armslag had dat Rabobank niet redelijkerwijze in levensvatbaarheid van het bedrijf kon geloven. Ter onderbouwing van dat oordeel verwees het hof naar de van Rabobank zelf afkomstige brief waarin de kredietrelatie werd beëindigd en waarin zij onder meer schreef: ‘Ook de huidige aandeelhouders hebben afgelopen vrijdag besloten geen aanvullend kapitaal meer ter beschikking te stellen. Thans is dus voorzienbaar dat u niet aan uw financiële verplichtingen zult kunnen blijven voldoen.’. Uit deze brief volgde, aldus het hof, dat A in een toestand verkeerde dat haar faillissement te verwachten was en dat Rabobank dat wist. Voorts wees het hof erop dat de binnengekomen bedragen niet bestemd waren voor de voortgezette bedrijfsvoering, maar voor de delging van de schulden van A aan Rabobank. Na 1 december 2003 heeft Rabobank de besloten de ontstane situatie te dulden, echter uit alle in die periode gevoerde correspondentie blijkt dat in die periode de financiële situatie van A uiterst penibel bleef. Het oordeel dat Rabobank niet te goeder trouw was in de zin van artikel 54 Fw gaf naar het oordeel van de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was evenmin onvoldoende gemotiveerd.

COMMENTAAR

Bij de vraag of er sprake is van een rechtsgeldig stil pandrecht, is het onder meer van belang na te gaan of er sprake is van een relatief toekomstige vordering dan wel een absoluut toekomstige vordering. Wanneer van een absoluut toekomstige vordering sprake is, zal van een rechtsgeldig stil pandrecht in beginsel geen sprake kunnen zijn. Uit eerder door de Hoge Raad gewezen arresten volgt dat vorderingen uit hoofde van stortingen door derden hun grondslag vinden in de rechtsverhouding tussen de pandgever en die derden en dus niet (rechtstreeks) worden verkregen uit de rekening-courantverhouding tussen de bank en de pandgever. Een stil pandrecht, dat enkel op relatief toekomstige vorderingen kan worden gevestigd, strekt zich wat betreft een rekening-courant in principe dan ook enkel uit tot het moment van de vestiging van het pandrecht op die rekening staande saldo. De oplossing om de latere stortingen toch onder het pandrecht van de bank te laten vallen, kan onder meer gevonden worden in het dagelijks registreren van een pandlijst, waarmee een nieuw pandrecht tot stand komt. Op basis van de Algemene Bankvoorwaarden die op de verstrekte financiering van toepassing worden verklaard, verkrijgt de bank een onherroepelijke volmacht om (door de bank te bepalen) vorderingen aan zichzelf te verpanden tot zekerheid voor de nakoming van het geen de schuldenaar verschuldigd is. Uit het recent door de Hoge Raad gewezen arrest Dix q.q./ING (LJN: BT6947) blijkt dat een dergelijke onherroepelijke volmacht standhoudt (zie hierover: M.S. van den Besselaar, JutD 2012/6). Met een rechtsgeldige verpanding wordt tevens voorkomen dat een bank in de valkuil van artikel 54 Fw loopt.

Gepubliceerd door Mirjam Oostendorp
Publicatiedatum: 18 september 2013


Algemene Voorwaarden   /   Privacy verklaring   /   Klachtenregeling   /  © 2009 - 2021 Drijber en Partners B.V.
facebookicon linkedinicon