Publicaties Vacatures Faillissementsverslagen WHOA Desk


Medezeggenschap en de invloed van cliƫntenraden

Medezeggenschap en de invloed van cliëntenraden bij zorginstellingen



Mr. dr. S. Parijs, Drijber en Partners, Velp (Gld.)



Juridisch up to Date 2013/22



Inleiding



In deze bijdrage wordtnader ingegaan op de medezeggenschapsrechten van cliëntenraden bij zorginstellingen. Cliëntenraden zijn in bepaalde gevallen bevoegd om op grond van art. 2:345 lid 1 BW bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (OK) een enquêteverzoek in te dienen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken bij de zorginstelling. In de zaak Stichting Ilmarinen (‘Ilmarinen’), OK 19 april 2013 (JOR 2013/206, noot R.C. de Mol), was dat het geval. Ook het functioneren van cliëntenraden kan aanleiding vormen voor het voeren van procedures. Dit was aan de orde in de zaak over de cliëntenraad van Stichting Carint-Reggeland Groep (‘Carint’), voorzieningenrechter rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, 14 juni 2013 (ECLI:NL:RBOVE:2013:1176). Alvorens deze beide uitspraken worden besproken, wordt aan de hand van de toepasselijke regelgeving een uiteenzetting gegeven van de bevoegdheden van cliëntenraden.



Instelling van cliëntenraden



Zorginstellingen die zorg aanbieden die op grond van de Algemene Wet Bijzonder Ziektekosten (AWBZ) of de Zorgverzekeringswet (Zvw) voor vergoeding in aanmerking komt, dienen op grond van de Wet Toelating Zorginstellingen (WTZi) een toelating te hebben verkregen van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Indien de toegelaten instelling de rechtsvorm van stichting of vereniging met volledige rechtsbevoegdheid heeft, dient zij op grond van art. 6.2 Uitvoeringsbesluit WTZi in haar statuten aan een orgaan dat de cliënten van de instelling vertegenwoordigd (de cliëntenraad) de bevoegdheid te geven tot het indienen van een enquêteverzoek bij de OK (art. 2:346 lid 1 sub e BW). Daarnaast is het de instelling toegestaan om de enquêtebevoegdheid aan anderen toe te kennen.



Op grond van art. 2 lid 1 van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) is de zorgaanbieder gehouden een cliëntenraad in te stellen die binnen het kader van de doelstelling van de betreffende instelling de gemeenschappelijke belangen van cliënten behartigt. De zorgaanbieder dient een regeling op stellen waarin wordt vastgelegd hoeveel leden de cliëntenraad heeft, de wijze van benoemen, welke personen tot lid kunnen worden benoemd en hun zittingsduur. Daarnaast dient de zorgaanbieder middelen ter beschikking te stellen waarover de cliëntenraad kan beschikken ten behoeve van zijn werkzaamheden (art. 2 lid 2 sub a en b Wmcz). De regeling dient zodanig te zijn opgesteld dat de cliëntenraad redelijkerwijze representatief kan worden geacht voor de cliënten en redelijkerwijze in staat kan worden geacht om hun gemeenschappelijke belangen te behartigen (art. 2 lid 3 sub a en b Wmcz). De cliëntenraad dient tevens schriftelijk zijn werkwijze vast te leggen alsmede de wijze van vertegenwoordiging in en buiten rechte (art. 2 lid 4 Wmcz).



De zorgaanbieder is op grond van art. 10 lid 1 Wmcz gehouden om gezamenlijk met de cliëntenraad een commissie van vertrouwenslieden in te stellen, die tot taak heeft te bemiddelen tussen de cliëntenraad en de zorgaanbieder en zo nodig een bindende uitspraak te doen. Het verzoek daartoe kan zowel door de cliëntenraad als door de zorgaanbieder worden gedaan op grond van de in lid 1 sub a. en b. genoemde gevallen.



Bevoegdheden van cliëntenraden



De zorgaanbieder dient de cliëntenraad in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over verschillende onderwerpen waarover de zorgaanbieder besluiten wenst te nemen (art. 3 lid 1 sub a. tot met m. Wmcz). Het betreft onder meer de navolgende besluiten: de wijziging van de doelstelling van de instelling, het overdragen van zeggenschap, het aangaan van fusies en samenwerkingen, de gehele of gedeeltelijke opheffing van de instelling, verhuizing of verbouwing, belangrijke wijzigingen in de organisatie, inkrimping of uitbreiding of wijziging van de werkzaamheden, de benoeming van bestuurders, de begroting en de jaarrekening en de kwaliteit van de zorg. Afgezien van de verplichte consultatie door het zorginstelling van de in lid 1 van art. 3 genoemde onderwerpen, is de cliëntenraad op grond van lid 3 tevens bevoegd om de zorgaanbieder ongevraagd te adviseren over deze en andere onderwerpen die voor de cliënten van belang zijn. Het advies dient op een zodanig tijdstip te worden gevraagd dat het van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit (art. 3 lid 2 Wmcz).



Indien de zorgaanbieder afwijkt van het schriftelijke advies van de cliëntenraad, dan dient deze daarover ten minste eenmaal met de cliëntenraad overleg te hebben gevoerd, voor zover dat redelijkerwijze mogelijk is (art. 4 lid 1 Wmcz). Met betrekking tot de onderwerpen die in art. 3 lid 1 onder i. tot en met m. worden genoemd, is het de zorgaanbieder niet toegestaan om een afwijkend besluit te nemen (art. 4 lid 2 Wmcz). Uitzonderingen daarop zijn de situatie dat het bewuste besluit krachtens een wettelijk voorschrift dient te worden genomen of dat de vertrouwenscommissie heeft vastgesteld dat de zorgaanbieder bij afweging van de betrokken belangen in de redelijkheid tot zijn voornemen heeft kunnen komen. Indien de zorgaanbieder heeft gehandeld in strijd met lid 2 kan de cliëntenraad op grond van lid 4 schriftelijk de nietigheid van het betreffende besluit inroepen. De nietigheid dient binnen één maand nadat de zorgaanbieder het besluit heeft medegedeeld te worden ingeroepen, dan wel – indien er geen mededeling heeft plaatsgevonden – het de cliëntenraad is gebleken dat de zorgaanbieder uitvoering of toepassing geeft aan het besluit.



Verder heeft de cliëntenraad informatierechten en dient de zorgaanbieder de cliëntenraad ten minste eenmaal per jaar mondeling en schriftelijk algemene gegevens te verstrekken omtrent het gevoerde en te voeren beleid (art. 5 Wmcz). De zorgverlener is op grond van art. 8 Wmcz gehouden om jaarlijks een schriftelijk verslag op te stellen over de wijze waarop de instelling Wmcz toepast. In art. 9 Wmcz is vastgelegd dat de zorgaanbieder binnen tien dagen na vaststelling het jaarverslag openbaar dient te maken en andere informatie over het gevoerde beleid openbaar dient te maken, waaronder de afhandeling van klachten. Verder is in dit artikel vastgelegd op welke wijze de betreffende informatie openbaar dient te worden gemaakt. Art. 7 lid 1 Wmcz bepaalt dat indien de zorgaanbieder een privaatrechtelijke rechtspersoon is, ten minste één bestuurslid wordt benoemd op bindende voordracht van de cliëntenraad. Dit geldt niet indien één of meerdere bestuurders in loondienst van de zorgaanbieder zijn. In dat geval is de cliëntenraad op grond van lid 2 bevoegd om ten minste één lid te benoemen van het orgaan dat toezicht houdt op het bestuur.



Disfunctionerende cliëntenraad



In de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel van 14 juni 2013, inzake Carint, was er sprake van een cliëntenraad die met onderlinge conflicten kampte. Tijdens een gesprek tussen het bestuur van Carint enerzijds en de cliëntenraad anderzijds is vastgesteld dat de cliëntenraad disfunctioneerde. Hierbij heeft de voorzitter van het bestuur van Carint alle leden van de cliëntenraad verzocht om hun lidmaatschap van de cliëntenraad te beëindigen. Afgezien van een drietal hebben alle leden aan dit verzoek gehoor gegeven. De overgebleven leden meenden dat zij daarna gezamenlijk de bevoegde cliëntenraad vormden. Carint was echter van mening dat zij op grond van de Wmcz verantwoordelijk was voor de instelling van een cliëntenraad die redelijkerwijze in staat kan worden geacht de gemeenschappelijke belangen van de cliënten van Carint te behartigen. Hiervan was volgens Carint geen sprake. Mede gezien de conflicten in het verleden, konden de resterende drie leden naar de mening van Carint niet eenzijdig bepalen dat zij voortaan de cliëntenraad vormen. Daarnaast stelde Carint zich op het standpunt dat de overgebleven drie leden niet representatief waren voor de cliënten van Carint, omdat zij slechts één locatie vertegenwoordigden. Het bestuur had daarom besloten om een nieuwe cliëntenraad in het leven te roepen die wel voldeed aan de wettelijke vereisten.



In kort geding hebben de drie overgebleven leden in conventie gevorderd dat Carint zou bevestigen dat zij de rechtsgeldige vertegenwoordigers en leden van de cliëntenraad zijn en dat Carint het overleg met hen zou hervatten alsmede zou voldoen aan alle verplichtingen jegens hen uit hoofde van de Wmcz. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van de drie overgebleven leden afgewezen en bevestigd dat er sprake was van conflicten waardoor het de verwachting was dat van een constructieve samenwerking met de overgebleven leden geen sprake was. Daarnaast werd de cliëntenraad niet representatief geacht omdat niet alle locaties van Carint werden vertegenwoordigd. Ook het standpunt van de drie overgebleven leden dat zij als gekozen leden gezamenlijk de cliëntenraad vormden, werd niet overgenomen omdat Carint op grond van art. 2 Wmcz verantwoordelijk is voor een goed functionerende cliëntenraad. Tot slot werd geoordeeld dat de cliëntenraad een bestuurlijk orgaan is dat als collectief bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt. In het geval dat de meerderheid van de leden door op te stappen bestuurlijke verantwoordelijkheid neemt voor het disfunctioneren, dan dient de minderheid dat volgens de voorzieningenrechter eveneens te doen. In reconventie werd wel de vordering van Carint toegewezen dat de drie overgebleven leden op verbeurte van een dwangsom met onmiddellijke ingang hun werkzaamheden en bemoeienissen voor de cliëntenraad dienen te staken en gestaakt dienen te houden ter zake van ieder handelen uit hoofde van hun voormalig lidmaatschap.



Enquêterecht cliëntenraad



In de zaak Ilmarinen, OK 19 april 2013, heeft de cliëntenraad van Ilmarinen de OK verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken binnen de zorginstelling. Er was sprake van een conflict tussen het bestuur van Ilmarinen en de cliëntenraad. De cliëntenraad maakte zich grote zorgen over de financiële positie van Ilmarinen. Naar de mening van de cliëntenraad zou het bestuur niet het vereiste gevoel voor urgentie hebben, want het zou niet adequaat hebben gereageerd op geleden verliezen en begrote tekorten. Voorts zou de informatieverstrekking door het bestuur in een aantal gevallen onvoldoende zijn. Daarnaast zou het bestuur de cliëntenraad onvoldoende hebben gefaciliteerd. Een ander verwijt was dat de raad van toezicht van Ilmarinen zich, ondanks verzoeken van de cliëntenraad, afzijdig zou hebben gehouden van het conflict tussen het bestuur en de cliëntenraad, terwijl hij actie had moeten ondernemen. Een laatste verwijt van de cliëntenraad, dat in dit kader genoemd wordt, was dat het bestuur ten onrechte de samenwerkingsovereenkomst tussen Ilmarinen en de cliëntenraad zou hebben opgezegd.



De zorgwekkende financiële situatie levert volgens de OK nog geen gegronde reden op om te twijfelen aan een juist beleid. Naar het oordeel van de OK is niet gebleken dat het bestuur niet met het vereiste gevoel voor urgentie heeft gehandeld. De OK is wel van oordeel dat de informatieverstrekking door het bestuur ondermaats is geweest. Het bestuur heeft dat ook erkend. Op grond daarvan oordeelt de OK dat het bestuur onvoldoende oog heeft gehad voor de wettelijke bevoegdheden van de cliëntenraad en diens taak de gemeenschappelijke belangen van cliënten te behartigen. Ook heeft het bestuur de cliëntenraad onvoldoende gefaciliteerd. Het is volgens de OK voldoende aannemelijk dat de houding van het bestuur jegens de cliëntenraad kan worden verkaard door de al geruime tijd verstoorde verhoudingen tussen beide, hetgeen volgens de OK echter geen rechtvaardiging vormt. De OK is het met de cliëntenraad eens dat de houding van de raad van toezicht ten aanzien van de steeds diepere kloof tussen bestuur en de cliëntenraad vragen oproept. De raad van toezicht is niet bereid gebleken met de cliëntenraad in overleg te treden over het conflict, maar heeft wel het bestuur ondersteund toen het de samenwerkingsovereenkomst met de cliëntenraad beëindigde. De OK oordeelt op basis daarvan dat van de raad van toezicht had mogen verwacht dat het een wat meer actieve rol op zich had genomen ter bevordering van het herstel van goede medezeggenschapsverhoudingen. De OK oordeelt niet over de opzegging van de samenwerkingsovereenkomst omdat hij niet treedt in een civielrechtelijk beoordeling van de opzegging van de overeenkomst en de eventuele gevolgen daarvan.



Samengevat oordeelt de OK dat er op grond van een aantal onderdelen reden was om aan een juist beleid te twijfelen. Echter, de OK acht een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken niet op haar plaats. De reden daarvoor is dat de beschikking van de OK op een aantal door de cliëntenraad aan de orde gestelde punten duidelijkheid schept en dat in zoverre een onderzoek niet meer nodig is. Voorts hadden zich inmiddels vijf nieuwe kandidaat-leden aangemeld voor de cliëntenraad, waardoor de verstoorde verhouding met het bestuur naar verwachting zou kunnen worden hersteld. Ook gaat de OK er vanuit dat de informatieverstrekking door het bestuur aan de cliëntenraad structureel zal verbeteren, mede doordat het bestuur heeft erkend dat het in het verleden tekort is geschoten. De OK acht na afweging van alle bij Ilmarinen betrokken belangen, waaronder haar financiële positie, een onderzoek niet geraden en wijst het verzoek van de cliëntenraad daartoe af, hetgeen eveneens geldt voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen.



Tot besluit



Cliëntenraden kunnen op grond van de Wmcz grote invloed uitoefenen op het beleid van zorginstellingen. Om hun wettelijke taken goed te kunnen uitoefenen, dient ook het bestuur van de zorginstelling zich in te spannen. Indien de verstandhouding tussen het bestuur en de cliëntenraad slecht is, zal – zoals ook uit de beide uitspraken blijkt – de cliëntenraad zijn veelal taken niet goed kunnen uitoefenen. Dit kan door middel van rechterlijke tussenkomst worden doorbroken. De spaarzame jurisprudentie hierover duidt er op dat niet vaak voor deze weg wordt gekozen, hetgeen mijns inziens een goede zaak is. Ook de OK lijkt de voorkeur te geven aan een minnelijke oplossing zoals uit de Ilmarinen-beschikking blijkt. Tot slot wordt nog opgemerkt dat het de bedoeling was dat de Wmcz, samen met een aantal andere zorgwetten waaronder de WTZi, zou worden opgenomen in de Wet cliëntenrechten zorg (Wcz). Begin dit jaar heeft de minister van VWS echter besloten om betreffende wetsvoorstel in vier onderdelen ‘op te knippen’. Voor het onderdeel medezeggenschap van cliënten wordt een nieuw wetsvoorstel ‘goed bestuur en medezeggenschap’ opgesteld, dat nog niet aan de Tweede Kamer is gezonden.



Gepubliceerd door Sergei Parijs
Publicatiedatum: 31 december 2013


Algemene Voorwaarden   /   Privacy verklaring   /   Klachtenregeling   /  © 2009 - 2021 Drijber en Partners B.V.
facebookicon linkedinicon